Stay on track

Stay on track

MOVING YOU FORWARD

Nieuwsbrief

Terug naar overzicht

Bestuurder in een vennootschap, wees voorzichtig. De belangrijkste principes van de interne aansprakelijkheid van (feitelijke) bestuurders voor bestuursfouten op een rijtje

Gepubliceerd op 01/04/2025

Bestuurders hebben de verantwoordelijkheid om “zorgvuldig en redelijk te handelen”. Dat is geen vrijblijvende aanbeveling, maar een wettelijke verplichting. Artikelen 6.5 en 6.6 Burgerlijk Wetboek (voorheen artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek) vormen de basis voor de buitencontractuele aansprakelijkheid en bepalen dat elke burger de plicht heeft om zorgvuldig en redelijk te handelen. Wie dat nalaat en schade veroorzaakt, kan aansprakelijk worden gesteld.


Wat de bestuurdersaansprakelijkheid betreft, wordt de mogelijkheid voor de vennootschap om haar bestuurders aan te spreken, uitdrukkelijk bevestigd in artikel 2:56, eerste lid van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. 

De in artikel 2:51 bedoelde personen en alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad zijn jegens de rechtspersoon aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. 

De mogelijkheid van een rechtspersoon om haar bestuurder(s) aansprakelijk te stellen, wordt de “interne aansprakelijkheid” genoemd. De interne aansprakelijkheid raakt enkel de contractuele relatie van het bestuursmandaat zelf, en is aldus enkel gegrond op de relatie tussen de bestuurder en de vennootschap-vereniging. Hierdoor dient aldus een onderscheid te worden gemaakt tussen de externe aansprakelijkheid van bestuurders op basis van artikel 6:3 BW (zie hiervoor: https://www.odigo.eu/nl/nieuwsbrief/journal/alle-hens-aan-dek-hogere-aansprakelijkheidsrisicos-voor-bestuurders-onder-het-vernieuwde-aansprakelijkheidsrecht)

Niet enkel voor benoemde bestuurders

Waar artikel 2:51 WVV zich beperkt tot “elk lid van een bestuursorgaan of dagelijks bestuurder”, blijkt uit de formulering van artikel 2:56 WVV dat interne bestuurdersaansprakelijkheid ook van toepassing is op “alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben”

Dit betekent dat ook feitelijke bestuurders aansprakelijk kunnen worden gesteld voor begane fouten.

Het kosteloos opnemen van een mandaat als bestuurder biedt geen vrijstelling: ook een bestuurder die zijn mandaat kosteloos uitoefent, moet zijn verplichtingen naleven en kan aansprakelijk worden gesteld bij fouten. 

Wanneer maakt een bestuurder een fout?

Een bestuurder maakt een fout als hij of zij een gedragsnorm schendt, of dat nu een algemene zorgvuldigheidsnorm is of een specifieke wettelijke verplichting. Die fout moet toerekenbaar zijn aan de bestuurder: hij of zij moet wetens en willens gehandeld hebben. De handeling mag bijgevolg niet te wijten zijn aan overmacht of enige andere schulduitsluitingsgrond.

Het handelen (of niet-handelen) moet hierbij steeds worden getoetst aan de handelswijze van een voorzichtig en redelijke bestuurder in dezelfde feitelijke omstandigheden. De (feitelijke) bestuurders zijn slechts aansprakelijk voor de handelingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen een voorzichtig en redelijk bestuurder in dezelfde omstandigheden zou handelen (de zogenaamde “marginale toetsing”). De marginale toetsing erkent de beleidsvrijheid van de bestuurders van een rechtspersoon. Dit systeem beschermt bestuurders tegen onnodige risicoaversie: bestuurders moeten durven beslissingen nemen, zonder angst voor aansprakelijkheid bij elke beslissing. 

De rechter zal zich bij de toetsing van een beleidsbeslissing eerder terughoudend moeten opstellen en zal enkel mogen besluiten tot een fout in de zin van artikel 2:56 WVV als er over de fout geen twijfel kan bestaan. 

Bovendien wordt er geen rekening gehouden met de wijsheid achteraf (hindsight bias). De beoordeling gebeurt uitsluitend op basis van de informatie die beschikbaar was op het moment van de genomen beslissing van de bestuurder. 

Voorbeelden van bestuursfouten

- Buitensporige uitgaven doen of overdreven bezoldigingen toekennen;
- De rechtspersoon concurrentie aandoen;
- Absenteïsme of het verwaarlozen van het bestuur;
- Gebrekkig toezicht;
- Precontractuele fouten;
- Niet innen van vervallen schuldvorderingen;
- Bedoeling van de bestuurder om zichzelf te bevoordelen ten koste van de rechtspersoon;
- Niet naleven van dwingende wetsbepalingen (onder mee inzake belastingen);

Hoofdelijke aansprakelijkheid: samen uit, samen thuis? 

Bij een collegiaal bestuur geldt in principe hoofdelijke aansprakelijkheid voor een gewone bestuursfout. Dit betekent dat elk lid afzonderlijk kan worden aangesproken voor de volledige schade.

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de leden van een collegiaal bestuursorgaan leidt tot een weerlegbaar vermoeden van feit in hoofde van alle leden van het bestuursorgaan. Een bestuurder kan echter ontheven worden van hoofdelijke aansprakelijkheid indien (1) hij geen deel heeft gehad aan de fout en (2) als de fout wordt gemeld aan alle andere leden van het bestuursorgaan. Deze melding wordt idealiter opgenomen in de notulen. 

Dergelijke hoofdelijke aansprakelijkheid heeft echter wel slechts toepassing op hetzelfde bestuursniveau (raad van toezicht – directieraad – raad van bestuur). Feitelijke bestuurders die geen deel uitmaken van een collegiaal bestuursorgaan, moeten hier eveneens minder van wakker liggen.  

Conclusie: besturen is niet vrijblijvend

Een bestuursfunctie brengt verantwoordelijkheid met zich mee. Wie een rechtspersoon bestuurt – zelfs onbezoldigd – moet zich bewust zijn van de risico’s. Onzorgvuldig handelen kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid, met potentieel zware financiële gevolgen. Besturen is dus geen vrijblijvende bezigheid en u bent beter op voorhand goed geïnformeerd over uw rechten en plichten.